Met het vertrek van Groot-Brittannië uit de Europese Unie nabij, dreigt een over het algemeen sterk eurosceptisch geluid weg te vallen uit de Europese besluitvorming Oost-Europese regeringen verzetten zich vaak stevig tegen de Brusselse macht, maar het tegengeluid is gezien de grootte van de staten beduidend zwakker. Zeker in een tijd waar Duitsland en Frankrijk hebben gekozen voor een progressieve koers in de Unie, rest de vraag hoe Nederland zich zal manifesteren in de verdeelde Europese politiek. Kijkend naar wat de positie van Nederland jegens Europese eenheid betreft, is er historisch gezien een lichte kanteling te zien – maar tot nu toe geen ommekeer.

Als een van de ondertekenaars van het Verdrag van Parijs behoort Nederland tot één van de eerste landen die zich heeft gebonden aan de EGKS, later de Europese Unie. Met de Tweede Wereldoorlog vers in het geheugen leek een dergelijk verdrag met name voor de Benelux van groot belang om de vrede in (West-)Europa trachten te waarborgen. De situatie in de jaren ’50 was uiteraard compleet anders – de economieën van West-Europa waren nog volop aan het herstellen van de catastrofale jaren ’40 en hoewel Frankrijk en Duitsland samen in deze gemeenschap toetraden, was het vooral uit argwaan en economische belangen. De amicale houding van nu was nog verre van bewerkstelligd, maar de economieën in West-Europa waren zeer toe aan een opleving van de economie.

Een kleine veertig jaar na de oprichting van de EGKS heeft de wereld, met name Europa, een politieke metamorfose ondergaan. Na de val van de Berlijnse Muur in 1989 begint een sterke idealistische wind te waaien door Europa die eigenlijk de gehele jaren ’90 aanhield. Het Verdrag van Maastricht en het Verdrag van Schengen in 1993 plus Amsterdam in 1999 waren zeer progressieve verdragen waarin onder meer de totstandkoming van de euro en een soort bakermat van Europese idealen werden vastgelegd. De organisatie transformeerde van Europese Gemeenschap naar Europese Unie en alles duidde erop dat de Europese eenheid, op een vredevolle manier, voor het eerst in de geschiedenis mogelijk leek.

Het idealisme werd echter de das omgedaan door de geopolitiek van de jaren ’00. De aanslagen van 11 september 2001, de economische crisis van 2008, Rusland die zich agressiever opstelt en in de jaren ’10 een humanitaire crisis in het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Des te meer bijzonder is de idealistisch gedreven expansiedrift van de EU in deze jaren; van 2004 tot 2013 traden dertien nieuwe landen toe, vaak landen in het voormalige Oostblok, maar evenwel Europeanen. De oostelijke buitengrens werd opgerekt van Oostenrijk en Zweden naar de Baltische staten en Cyprus. In deze trend leek het de regeringen van de lidstaten in 2004 een gepast moment om een grondwet op te stellen voor de Unie, om universele waarden te waarborgen die boven de wet van de lidstaten staat. Vanwege de ingrijpende hervormingen die dit teweeg zou brengen op nationaal niveau, werd in tien lidstaten – waaronder Nederland – een referendum gehouden voor de goedkeuring ervan.

Nederland stemde op 1 juni 2005 in vrij overweldigende mate – 61% – tegen deze Europese grondwet, twee weken nadat Frankrijk dit al had verworpen. Dit was een uniek moment, aangezien Nederland in het verleden altijd in de pas heeft gelopen wat de Europese verdragen betreft – het heeft geen uitzonderingspositie gevraagd om de euro of de open grenzen, zoals Denemarken en het Verenigd Koninkrijk wel gedaan hebben. Gezien de uitslag is het mogelijk te concluderen dat er een kloof bestaat tussen het volk en de regering wat de mening over Europese integratie betreft, maar in de laatste jaren lijkt de Nederlandse regering ook kieskeuriger geworden met hoe het de Europese Unie benadert.

Recentelijk zijn er diverse onderwerpen aan bod gekomen waarvan het besluit erover niet streek met de nationale belangen van de Nederlandse regering. Zo is er heftig gelobbyd tegen het verbod op pulsvisserij en de verlengde afdracht van WW-uitkeringen aan Europese burgers in het buitenland, werkzaam in Nederland. Ook was Nederland in eerste instantie tegen de nieuwe wetgeving rondom auteursrechten, waar een uploadfilter zou worden ingesteld die moest controleren op copyrightgevoelig materiaal. Het heeft echter weinig zin gehad, want in alle gevallen heeft de Nederlandse lobby verloren van de groter georganiseerde Oost- en Zuid-Europese lobby’s. Dit tot grote ergernis van zowel het kabinet – niet alleen omdat het munitie geeft aan de oppositie, die deze verliezen kan afdoen alsof de regering zich te weinig inspant in Brussel, maar ook omdat de ongelukkige besluiten beleid uit het regeerakkoord mogelijk door de war dreigen te schoppen.

Lijkt er nu massaal verzet te komen van regering en volk tegen de Europese Unie? Als het erop aankomt lijken de regering en het volk vrij eensgezind; de Europese Unie moet wel functionerend blijven bestaan. Er is echter een aanzienlijk aandeel van de bevolking die onvoorwaardelijk kritisch is op het huidige EU-beleid, maar deze is zeker niet groter dan de helft. Als voorbeeld hiervoor kan gekeken worden naar het referendum over het associatieakkoord met Oekraïne in 2016. Hier stemde maarliefst 61,9% tegen de overeenkomst, maar het zegt echter (te) weinig over de absolute aantallen van mensen die het eurosceptische sentiment delen, door het gebrek aan opkomstplicht in Nederland. Maar 32 procent van de kiesgerechtigde bevolking is komen opdagen, waarvan ook 38,1 procent voor het verdrag stemde. Dit betekent dat in totaal 2,5 miljoen mensen dit verdrag verwierpen per referendum, een getal wat niet in de buurt komt van de meerderheid van het Nederlandse volk. Als kanttekening kan hier gekeken worden naar het bestaan van eenzelfde opkomstpercentage voor de Europese Verkiezingen – hier kwam ook maar 37% van de kiesgerechtigden stemmen. Op het referendum over de Grondwet in 2005 na, lijken Europese zaken het Nederlandse volk verkiezingsgewijs minder te deren dan nationale aangelegenheden, zowel als het gaat om uitbreiding of beperking van de Unie.

Cijfers van EenVandaag uit begin 2019 geven ook aan dat de verhouding van onvoorwaardelijke voor- en tegenstanders van de Unie ongeveer 60% tegen 33% is. Maar cijfers over de inrichting van de Unie geven wel aan dat de meerderheid van het panel, 57 procent, liever bevoegdheden teruggegeven ziet worden aan de nationale regering. 14 procent pleit voor meer Brusselse macht. Dit lijkt de huidige tendens mooi weer te geven; in Nederland willen regering en volk graag lid blijven van de Unie, maar er wordt wel overwogen wat meer aan de rem te trekken. Een nuance die past in het Nederlandse politieke klimaat, waar verandering eigenlijk altijd geleidelijk heeft opgetreden.

Kortom, waar staat Nederland op het gebied van Europese integratie ten opzichte vanwaar het vandaan kwam? Uit verschillende opiniepeilingen en referenda kan enkel worden afgeleid dat de Nederlanders in de meerderheid kritischer zijn geworden op de verwezenlijking van de Europese ambitie, maar dat het deel van de mensen dat de EU volledig afkeurt nog geen meerderheid vormt. Qua regeringsbeleid lijkt Nederland ook kritischer dan voorheen, maar tot nu toe lijkt geen kabinet in staat een vuist te maken tegen beleid wat ten nadele komt van het Nederlandse belang. Volk en regering staan zogezegd zij aan zij qua belangen; wél in de EU, maar met een wat conservatievere koers. Het zal interessant worden hoe deze opvatting zich vertaald naar de uitslag van de Europese Verkiezingen in mei.