Zoals we allemaal weten als goede unieburgers komen de verkiezingen voor het Europees Parlement er weer aan. Het is dan ook niet al te gek dat ons o zo schone verenigingsblad in het teken staat van deze gebeurtenis, die zal plaatsvinden op 23 mei. Echter hoor ik vaak in mijn omgeving dat men niet weet wat ze ermee aanmoeten of het argument opwerpen ‘’dat het toch geen nut heeft’’. Echter kan ik ook diegene die voor zijn gevoel al een finaal oordeel heeft over Brussel en over onze Unie misschien toch nog begiftigen met wat wijsheid over de werking van haar instellingen. Zo zult u versteld staan van hoe belangrijk de verkiezingen wel niet zijn en gaat u toch nog even tussen het college door naar de stembus.

Om goed te kunnen snappen waarom het belangrijk is dat de Europese verkiezingen zo belangrijk zijn, is een beetje kennis over de werking van de Unie uiteraard ook van belang. De drie belangrijkste zijn de Raad (van de Europese Unie), de Europese Commissie en het Europees Parlement. De Raad bestaat uit vertegenwoordigers van ministerieel niveau van de lidstaten (1 per lidstaat). Zij voert samen met het EP de wetgevingstaak en begrotingstaak uit. Het EP bestaat uit 750 leden en een voorzitter, die rechtstreeks verkozen worden door de Unieburgers; mensen zoals u en ik. De Commissie is van oudsher een belangrijk orgaan dat vooral toeziet op de het beleid van de Unie, maar daarnaast ook als enige het recht van initiatief heeft.

Zoals dus te zien is, wordt het EP direct verkozen terwijl de Commissie hier niets van moet hebben. Hier hebben we al een deel van het gedachtegoed van de eurosceptische unieburger te pakken, namelijk het idee dat er niks gedaan kan worden aan de andere (ondemocratische) instellingen en dat dus het EP er een soort van leuk bij staat. Om aan te geven dat dit niet het geval is en het EP veel bevoegdheden kent om druk uit te oefenen, zullen we beginnen bij de wetgevingsprocedures. Hier zijn eigenlijk twee verschillende soorten vormen te onderscheiden: een gewone en een bijzondere. Bij de gewone wetgevingsprocedure is het zo dat het Europees Parlement bij de totstandkoming moet hebben gestemd over de wet in kwestie, voordat hij in werking kan treden. Voor de verwezenlijking van de belangrijkste doelstellingen van de Unie wordt dat  eigenlijk altijd gebruikt, zoals bij concurrentieverschillen. Dit betekent dus dat bij de belangrijkste en meest ingrijpende onderdelen het EP een grote rol speelt.

Daarnaast kennen de meeste staten een vorm van budgetrecht. In ons Koninkrijk, maar ook in veel andere landen, was dat recht vroeger het enige goede middel dat parlementen tegen hun vorst konden gebruiken. Door de begroting van de koning af te keuren, kon er namelijk helemaal geen geld uitgegeven worden en op deze wijze kwamen de plannen dan stil te liggen voor het komende jaar. Ook de Unie kent een soortgelijk recht, dat grotendeels is toebedeeld aan het EP. Hiermee kunnen ze dus de begroting, die gemaakt wordt door de Commissie, verwerpen en op deze wijze laten zien dat ze het niet met hun plannen eens zijn.

Nu we het toch over de Commissie hebben, deze wordt in haar zelfstandigheid nog meer door het EP beperkt! Dit komt door een vrij recentelijk verschijnsel binnen de Unie, namelijk dat van een zogenaamde Spitzenkandidat. Dit begrip, dat vrij vertaald zoiets als een topkandidaat betekent, houdt in dat de leider van de meest populaire partij in het EP ook automatisch voorzitter wordt van de Commissie. Dit is een zeer recent verschijnsel en is tegenwoordig ook in één van de verdragen van de Unie opgenomen. Op het moment dat de Commissie – die nog wel een kandidaat moet presenteren – dit niet doet, kan het EP de kandidaat afwijzen of kan het EP geen goedkeuring geven aan de formatie van de nieuwe Commissie om deze zo ook een hak te zetten.

Een tijd geleden heeft Marcel de Graaff, een lid van het EP voor de PVV, geroepen dat 80% van onze wetgeving uit Brussel zou komen. Dit werd over het algemeen al zeer snel door het slijk heen gehaald, maar wat de Graaff zei is zo heel erg gek nog niet. Het klopt inderdaad dat maar een substantieel deel van de wetgeving van de EU verbindend is. Dat aantal ligt zo rond de 24 tot 32 procent. Desalniettemin is en blijft dit rond de 30 procent. Daarnaast gaat het natuurlijk niet alleen maar om kwantiteit, maar ook om kwaliteit. De wetgeving die uit Brussel komt heeft vaak grote gevolgen en kan ook voor onrust zorgen als de desbetreffende wetten door velen als slecht beschouwd worden. Een goed voorbeeld hiervan is de drama rondom het beroemde artikel 13 van de nieuwe auteursrechtrichtlijn, waarbij men bang is voor internetcensuur. Naast het creëren van wetgeving die verbindingen in het leven kunnen roepen, zoals verordeningen, is de Unie ook nog een grote producent van zogeheten soft law. Dit zijn onverbindende uitspraken gedaan door de Unie, zoals een aanbeveling. Vooral een advies, dat persoonlijk tegen een lidstaat gericht is en over een specifiek onderwerp gaat, heeft doorgaans veel invloed op de nationale wetgeving. Deze kunnen ook gedaan worden door het EP.

Door al de lastige zaken die zich in de EU afspelen, kan men soms de bomen in het bos niet meer zien. Maar één ding moet er wel uit zijn gekomen, namelijk dat het EP vaak veel invloed uit kan oefenen op de andere belangrijke instellingen van de Unie. Op deze wijze heeft stemmen dus ook veel meer nut dan op het eerste ogenblik lijkt. Hierom rest mij alleen nog maar het volgende te zeggen: gaat u alstublieft stemmen!